Bestel de cd

Opname Bachplus - 033 - kopie


Johann Christoph Bach: “Meine Freundin, du bist schön”
Johann Kuhnau: “Bone Jesu, care Jesu, ne me tu desere”
Johann Sebastian Bach:

  • Konzert für Cembalo BWV 1057
  • “Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit” BWV 106


Artistieke leiding

Bart Naessens

Zangers

Sopraan solo Griet De Geyter
Alt solo Joëlle Charlier
Tenor solo Vincent Lesage
Bas solo Tiemo Wang

Sopraan Elisabeth Hermans
Alt Kerlijne Van Nevel
Tenor Yves Van Handenhove
Bas Kai-Rouven Seeger

Instrumentalisten

Flauto dolce Koen Dieltiens – Bart Coen
Gamba Romina Lischka – Robert Smith

Viool Lidewij van der Voort – Annelies Decock – Marrie Mooij
Viola Kaat De Cock
Cello Hervé Douchy – Robert Smith
Violone Hendrik-Jan Wolfert

Theorbe Sofie Vanden Eynde
Cembalo Korneel Bernolet
Organo Bart Naessens



Door: Koen Uvin


Wie vandaag de naam “Bach” uitspreekt, denkt onmiddellijk aan Johann Sebastian. De kans is evenwel groot dat men in de late 17e en eerste helft van de 18e eeuw met de vraag “Welke Bach?” meteen om duidelijkheid zou vragen. De necroloog die Carl Philipp Emanuel Bach in 1750 n.a.v. de dood van zijn vader schreef begint met de woorden: “Johann Sebastian Bach behoort tot een geslacht van wie alle leden liefde en aanleg voor muziek als een geschenk van de natuur lijken gekregen te hebben.” Muziek was de beroepsactiviteit van de Bachs, haast elk mannelijk lid van de familie componeerde, was instrumentenbouwer, organist, instrumentalist of kapelmeester en hun familienaam werd in Thüringen gewoon synoniem voor “musicus”. Ook Johann Sebastian Bach was zich erg bewust thuis te horen in een lange familietraditie. In een document getiteld “Ursprung der musicalisch-Bachischen Familie” dat Johann Sebastian Bach in 1735 opstelt geeft hij een overzicht van de genealogie van zijn familie; hij voert de muzikale wortels van de familie terug tot zijn over-overgrootvader, de bakker-molenaar Veit Bach (overleden 1619) en vermeldt een vijftigtal musici, inclusief zijn eigen muzikale zonen.

J.S. Bach zal beslist opgezet geweest toen hij in datzelfde jaar een aantal manuscripten met werken van zijn oudere familieleden in handen kreeg. De bundel bevatte religieuze cantaten van Johann Michael en Johann Christoph Bach en een paar motetten van Georg Christoph Bach, Johann Bach, Adam Drese en enkele anoniemen. Omwille van die inhoud was dit cadeau, dat later bekend werd als het “Altbachisches Archiv”, meer dan welkom. Het koortsachtige vuur waarmee Bach zijn carrière als Thomascantor in Leipzig in 1723 begonnen was en waar hij meer dan twee jaar lang, week na week, een nieuwe cantate had gecomponeerd was immers al lang geblust, nieuw uitvoeringsmateriaal was meer dan welkom. Prompt liet Bach een aantal van deze cantaten in Leipzig uitvoeren. Om de kwaliteit hoefde hij zich weinig zorgen te maken, de cantates droegen immers het keurmerk van de familie Bach. Het “Altbachisches Archiv” bevat een religieuze cantate van de componist die Johann Sebastian van alle musicerende en componerende leden van de Bachdynastie het hoogst achtte, zijn vaders neef Johann Christoph (1642-1703). Deze Johann Christoph bracht zowat heel zijn leven in Eisenach door waar hij een dubbelambt bekleedde als stadsorganist en klavecimbelspeler aan het hof. Zijn carrière verliep er niet rimpelloos, hij had vaak strubbelingen met het stadsbestuur omdat hij zich financieel te slecht gehonoreerd voelde. Het is in de cantates van Johann Christoph dat Johann Sebastian het meest aantekeningen maakte, wat wijst op hergebruik en op zijn grote interesse voor dit werk. In Johann Sebastian’s nekroloog steekt Carl Philipp Emanuel de loftrompet voor Johann Christoph en schrijft dat hij sterk was in “het bedenken van mooie muzikale gedachten en woordexpressie”.

Die kwaliteiten blijken duidelijk uit de dialoogcantate “Meine Freundin, du bist schön” die een waar buitenbeentje is in het genre van de religieuze barokcantate. De tekst is puur Bijbels en hoofdzakelijk samengesteld uit verzen uit het “Hooglied”, een van de merkwaardigste boeken uit de Bijbel. Hierin bezingt koning Salomon in niet mis te verstane bewoordingen zijn lichamelijke begeerte naar zijn Sulamitische vriendin. Theologen kregen rode oortjes bij het lezen van deze verzen en schoven in plaats van de letterlijke interpretatie van het “Hooglied” als erotische liefdeslyriek een ietwat onhandige christelijke allegorie naar voor: Salomon werd Christus die zijn liefde voor zijn kerk, de Sulamitische, bezong.

Klaarblijkelijk kon die theologische allegorie Johann Christoph Bach gestolen worden. Hij, of zijn librettist, selecteert de verzen uit het “Hooglied” en ordent ze ingenieus tot een verhaal waarin de liefdeszieke Sulamitische op zoek gaat naar haar minnaar, hem ontmoet in een tuin en de geliefden samen met vrienden feest vieren. Dat onderhuidse verhaal wordt in het manuscript verduidelijkt door een “Beschreibung dieses Stückes” die als een soort regieaanwijzing netjes tussen de versregels genoteerd werd door Johann Sebastian Bach’s vader, Johann Ambrosius (c.1645-1695). Ambrosius besluit: “Eindelijk… wordt het feest beëindigd… Nadien klonk het overal: Goede Nacht! Slaap wel”!”. Eindelijk zijn de geliefden alleen samen en kunnen ze zich na het fijne eten en drinken ook aan mekaar overgeven. Wat moet Johann Sebastian gevoeld hebben toen hij die notities van zijn vader, die hij nauwelijks gekend had, totaal onverwacht in de partituur zag opduiken?

Meer nog dan de tekst draagt Johann Christoph’s gevoelige toonzetting bij tot de erotische atmosfeer waarin deze cantate baadt. Het hoogtepunt van de cantate is een lange chaconne waarin de sopraan het gelukzalig gevoel van een vroege verliefdheid en groeiend verlangen naar de minnaar oproept en de tekst “Mein Freund ist mein, und ich bin sein” obsessioneel weerkeert. Johann Christoph gebruikt een uitgebreid arsenaal aan barokke affecten om de sensuele tekst in te kleuren; Seufzer, chromatiek, apocope (plotse stops in de melodielijn) enz. Bovenop de bas- en sopraanlijn komt een heerlijke; quasi geïmproviseerde, virtuoze vioolpartij in pure “Stylus Phantasticus”-stijl… geen wonder dat Johann Sebastian zijn verre neef Christoph een ‘profunde Componist’ noemde.

Hoort dit werk thuis in de kerk? Best wel, de cantate werd vermoedelijk geschreven voor het huwelijk van een naamgenoot van de componist en oom van Johann Sebastian: Johann Christoph (1645–1693). Misschien werd ze ook uitgevoerd op het eerste huwelijk van Johann Sebastian en Maria Barbara in 1707. De notaties van Johann Ambrosius doen ook een uitvoering in huiselijke kring vermoeden, bijvoorbeeld op de familiereünies die de Bachs jaarlijks hielden.

De cantate “Bone Jesu, chare Jesu” van Bach’s voorganger als Thomascantor Johann Kuhnau (1660 –1722) is liturgische gebruiksmuziek bij uitstek. Kuhnau schreef ze, zoals het titelblad van het manuscript in de Sächsische Landesbibliothek Dresden keurig vermeldt, in 1690 voor de 13e zondag na Trinitatis. De Latijnse tekst stuurt Kuhnau in de richting van een sobere, conservatieve zetting met een eenvoudige harmonie en melodievoering. Ook de vorm is eenvoudig: na een korte instrumentale sonate die de globale stemming van het werk bepaalt volgen korte recitatieven, arioso’s en aria’s mekaar haast zonder onderbreking op. Die galantheid konden de burgers van Leipzig best smaken, zij zullen hun latere Thomaskantor Johann Sebastian vaak wat zijn gebrek aan “Annehmlichkeit” – lees “eenvoud” verwijten.

Het meesterschap van de Bachdynastie culmineerde in het oeuvre van Johann Sebastian wiens talent meteen uit een van zijn allervroegste werken blijkt, de cantate “Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit” BWV 106 uit 1707/08. De cantate is stilistisch traditioneel en gecomponeerd in de ‘oude stijl’ die Bach’s grote idool Dietrich Buxtehude tot bloei had gebracht. De subtitel “Actus tragicus” waaronder dit werk bekend werd en de “stille” bezetting met blokfluiten en viola da gambaparen verwijst naar een begrafenisplechtigheid, al kennen we de naam van de overledene niet met zekerheid. De tekst is samengesteld uit Bijbel- en koraalverzen die een na een muzikaal worden uitgewerkt. De cantate is een waar compendium van haast alle muzikale vormen en genres die in de barok werden gebruikt: een instrumentale sonate, vrije en fugatische koren, variatievormen op een chaconne, een homofoon koraal en de modernere genres van begeleide monodie en aria, inclusief een coloratuur die recht uit de opera komt. Negentiende eeuwse musicologen struikelden soms over deze veelheid van vormen, Thomaskantor Moritz Hauptmann had het zelfs over “een merkwaardig wangedrocht van over elkaar heen geschoven en in mekaar gegroeide onderdelen, zonder groepering of hoogtepunt.” Dat gaat helemaal voorbij aan de essentie van het werk want deze sublieme muziek is ook een theologisch sluitende bezinning over ‘Sterbensangst’ en ‘Todesfreudigkeit’. Het keerpunt in het discours is het middendeel “Es ist der alte Bund” waarin Bach een archaïsche koorfuga combineert met een vrije begeleide monodie nieuwe stijl door de sopraan op de tekst “Ja, komm, Herr Jesu komm!”. Oude vormen ruimen plaats voor nieuwe en symboliseren ze het Oude Verbond dat door Christus’ dood plaats ruimt voor het Nieuwe Verbond en het vooruitzicht op het eeuwige leven. Voor alle duidelijkheid introduceert Bach ook nog het koraal “Ich hab mein Sach Gott heimgestellt” in de blokfluitpartijen. Drie muzikale lagen van totaal verschillende muzikale genres versmelten zo tot een muzikale eenheid. Met zijn enorme stielkennis en theologische kennis overklast de 22-jarige Bach zijn voorgangers: de traditionele compositietechnieken worden volmaakt beheerst en Bachs mateloze creativiteit bezorgt de luisteraar de ene koude rilling na de andere.

Met de compositie van het vijfde Brandenburgse concerto in 1721 had Bach quasi “en passant” een nieuw muzikaal genre gecreëerd, het klavierconcerto. Het genre zou bijzonder succesrijk blijken, voor componisten als Haydn, Mozart, Beethoven, Liszt, Rachmaninof, Bartók en zovele anderen bleek de bezetting klaviersolist versus orkest het ideale vehikel voor grootse emoties en muzikale genialiteit. Ook Bach zelf zou in Leipzig de vruchten van zijn uitvinding plukken. Tijdens de lucratieve openbare concerten in het “Collegium Musicum” voerde Bach samen met zijn oudste zoons die stuk voor stuk begenadigde klavecimbelspelers waren, zijn klavecimbelconcerti uit tot groot vermaak van zijn publiek. Bach vulde het repertoire aan met bewerkingen van eerder gecomponeerde instrumentale muziek. Het Concerto VI in F BWV 1057 is een arrangement van het vierde Brandenburgs concerto BWV 1049 waarin Bach de vioolpartij vervangt door een uiterst virtuoze klavecimbelpartij en de solopartijen van de blokfluiten quasi ongemoeid laat.