CD “Mit Fried und Freud ich fahr dahin”


Heinrich Schütz [1585-1672]: Musicalische Exequien

Dieterich Buxtehude [1637-1707]:
Präludium in g-moll (BuxWV 149)
Fried und Freudenreiche Hinfarth (BuxWV 76)

Georg Böhm [1496-1570]: Vater unser im Himmelreich

Johann Walther [1661-1733]: Motet ‘Mit Fried und Freud ich fahr dahin’

Johann Sebastian Bach [1685-1750]: Cantata ‘Mit Fried und Freud ich fahr dahin’ (BWV 125)


Artistieke leiding

Bart Naessens

Zangers

Sopraan Griet De Geyter – Elisabeth Hermans – Kristien Nijs

Alt Clint Van Der Linden – Bart Uvyn – Kerlijne Van Nevel – Jonathan De Ceuster

Tenor Sean Clayton – Adriaan De Koster – Yves Van Handenhove – Pieter De Moor – Govaart Haché

Bas Drew Santini – Tiemo Wang – Kai-Rouven Seeger – Arnout Malfliet

Instrumentalisten

Viool 1 Elise Van der Wel
Viool 2 Ellie Nimeroski
Viola Manuela Bucher,
Cello Bernard Woltèche
Violone Elise Christiaens

Hobo Benoit Laurent
Traverso Jan Van Den Borre

Organo Bart Jacobs – Bart Naessens


Door: Koen Uvin

Niets lijkt moeilijker dan het inschatten van emoties, gedachten en gedragingen van mensen die in vroegere tijden met de grote levensvragen rond de betekenis van vreugde en lijden of leven en dood werden geconfronteerd. Al te gemakkelijk is men geneigd om – vanuit de overweging dat gevoelens rond deze thema’s wel des mensen moeten zijn – de eigentijdse of persoonlijke visie naar vroegere tijden te transponeren. In 1716 verscheen in Dresden een boekje dat, naast vele andere, enig licht kan werpen op de vraag hoe een gelovige lutheraan destijds met de dood omging. Der mit Fried und Freud dahin fahrende Simeon bevat de tekst van de lijkrede die door Valentin Ernst Löscher (1673-1749) bij de begrafenis van Johann Knaut op 20 februari 1716 in de kerk van Dippoldiswalda (Sachsen) naast de geopende lijkkist werd uitgesproken. Löscher raakt in zijn preek kort het idee van Sterbensangst aan en erkent dat “jonge mensen vanuit hun natuurlijke aard bang zijn voor de dood en er diep door bedrukt zijn maar dat ook ouderen niet vrij zijn van deze vrees en droefheid”. De centrale idee in Löschers lijkrede is evenwel de Todessehnsucht, de blijde gedachte dat de dood de mens verlost uit het lijden en hem, na een van pijn en zorgen bevrijde doodsslaap, de hemelse zaligheid brengt. De overledene Johann Knaut werd zesentachtig en had niet minder dan eenenzestig jaar als Pastoris in het Predigt-Ambt gediend. Voor de doorgewinterde en invloedrijke theoloog Löscher lag de inspiratie voor de lijkrede dan ook voor de hand m.n. het Nunc dimittis (Lucas 2, 29-32), het loflied van de oude Simeon, die de belofte kreeg dat hij nog voor zijn overlijden de Messias zou aanschouwen. Toen deze profetie vervuld werd zong Simeon zijn hymne. In dit beknopte, vierregelige Nunc dimittis vraagt Simeon in vrede te sterven nu zijn ogen de Messias hebben aanschouwd en voorspelt hij dat dit geluk de hele mensheid te beurt zal vallen tot glorie van het volk van Israël.

In zijn Duitse hertaling van het Nunc dimittis breidt Martin Luther de kerngedachte van elke regel uit tot vier sextetten met een wat grillige verdeling van het aantal lettergrepen over de verzen (8-4-8-4-7-7). De tekst werd, wellicht door Luther zelf, voorzien van een Dorische koraalmelodie. Met haar opwaartse kwintsprong op Fried, een diatonisch dalende sext op sanft und stille en gepunte ritmiek die vreugde weerspiegelt is ze geënt op de eerste strofe. De melodie werd voor het eerst gepubliceerd in Eyn geystlich Gesangk Buchleyn (Wittenberg, 1524) in een vierstemmige zetting van Johann Walter. In het Babtsche Gesangbuch (Leipzig, 1545) wordt Mit Fried und Freud geïllustreerd met een houtsnede van de opdracht in de tempel. Als bijbelse gebeurtenis hoort het Nunc dimittis inderdaad thuis op het Feest van de Purificatie of Mariä Reinigung dat op 2 februari wordt gevierd. Maar tekstinhoudelijk leent de koraalmelodie, die als een rode draad door deze opname loopt, zich voortreffelijk voor uitvaartdiensten: de oude Simeon ziet zijn dood met vreugde tegemoet. Mit Fried und Freud wordt dan ook in de Christliche Gesänge lateinisch und deutsch zum Begräbnisse (Wittenberg, 1542) opgenomen en zal in de lutherse liturgie vooral als begrafenislied gebruikt worden.

De ontstaansgeschiedenis van Heinrich Schütz’ Musicalische Exequien (SWV 279-281) is bekend: Heinrich Reuss Posthumus (15721635), landsheer van Gera, trof gedetailleerde voorbereidingen voor zijn eigen begrafenis en liet zich een grote, zinken lijkkist maken die gedecoreerd werd met bijbelse teksten en koraalteksten. Deze wel verregaande vorm van Todessehnsucht werd beslist ook versterkt door de calamiteiten van de Dertigjarige Oorlog (1610-1648) die Reuss’ landgoederen in 1633/34 compleet verwoestten. Wellicht was het ook Reuss zelf die zijn vriend en onderdaan Heinrich Schütz (1585-1672) verzocht om begrafenismuziek op basis van de grafkistteksten te componeren. Of Schütz deze muziek uitvoerde bij een repetitie voor Reuss’ begrafenisplechtigheid in diens aanwezigheid is waarschijnlijk, maar kan niet bevestigd worden. De vrome Reuss, die blijkbaar ook een voorliefde had voor Simeon en het koraal Mit Fried und Freud, had de wens geuit om op Mariä Reinigung te worden begraven. Na zijn overlijden op 3 december 1635 werd zijn lichaam gebalsemd en opgebaard in de slotkapel van Gera. Op 2 februari 1636 volgde een eerste lijkprediking, op 3 februari, de naamdag van Simeon, verbleef Reuss Posthumus’ lichaam in de Sint-Johanneskerk in Gera, op 4 februari volgde dan de bijzetting in de grafkelder van de familie en werden Schütz’ Musicalische Exequien uitgevoerd. Het eerste en langste deel, het Konzert in Form einer Teutschen Begräbnis-Missa werd voor de lijkrede uitgevoerd. De titel dekt de lading volkomen; het werk is een vocaal concerto waarin bijbelse teksten en koraalteksten qua inhoud en ordening op een hoogst ingenieuze manier verwijzen naar het Kyrie en het Gloria uit de Missa Brevis. De lijkrede die op dit vocaal concerto volgde bevatte overdenkingen over Psalm 73, 25-26 die Heinrich Reuss zelf had voorgedragen (… welchen Ihre Selige Gnaden zu dero Leichpredigt erkoren und verordnet haben). Deze verzen dienen als tekst voor het tweede deel, Herr, wenn ich nur dich habe (SWV 280), een motet voor twee gelijke koren in de dubbelkorige stijl die Schütz na zijn studies bij Giovanni Gabrieli met de Psalmen Davids in Duitsland had geïntroduceerd. Ook het derde deel, Herr, nun lässest du deinen Diener in Frieden fahren / Selig sind die Toten (SWV 281) is dubbelkorig, maar van een totaal andere orde, het lijkt wel of we hier met twee autonome maar gelijktijdig uitgevoerde motetten te maken hebben. De beide koren zijn ongelijk samengesteld, het eerste koor is vijfstemmig, het tweede heeft drie solisten. Beide koren zingen andere teksten, het eerste koor gebruikt het Canticum Simeonis in Duitse vertaling, het tweede koor antwoordt met teksten uit de Apocalyps en het Boek Wijsheid. Bovendien zijn de drie stemmen van het tweede koor gepersonaliseerd, de beide bovenstemmen als Seraphim 1 en 2 en de baspartij als Beata anima, de gelukzalige ziel van de overledene. De titelpagina van de druk van de Musicalische Exequien die in 1636 in Dresden verscheen bevat enkele beknopte regieaanwijzingen voor de opstelling van beide koren. Schütz wou een gescheiden opstelling met een onzichtbaar opgesteld solistenkoor (in einen stille verdackte Orgel angestellet und abgesungen…). Als het solistenkoor zoals men vermoedt inderdaad zong uit de duistere diepte van de geopende grafkelder zal dit beslist een hallucinant effect gehad hebben. Dat is niet ondenkbaar, Heinrich Reuss had enige zin voor dramatiek, in 1623 liet hij zijn koorknapen als engelen verkleed een kerstviering opluisteren.

In 1674 liet Dieterich Buxtehude (1637-1707) in Lübeck een werk drukken om de dood van zijn vader Johannes te gedenken. Johannes Buxtehude was meer dan 32 jaar organist van de Sint-Olafkerk in Helsingør geweest en op 22 januari 1674 op 72-jarige leeftijd overleden in Lübeck. Opnieuw brengt de hoge ouderdom van de overledene de bijbelse Simeon in herinnering: de volledige titel van de uitgave luidt Fried – und Freudenreiche Hinfahrt des alten grossgläubigen Simeons bey seeligen ableiben des … Herrn Johannis Buxtehude. Zelden werden er twee werken in één uitgave gebundeld die zo drastisch verschillen qua opzet en techniek. Mit Fried und Freud BuxWV 76a is een strenge contrapuntische oefening met Luthers’ koraal als subject. Het werk is vierdelig en bestaat uit twee Contrapuncti die telkens gevolgd worden door een zg. Evolutio. In Contrapunctus 1 en 2 verschijnt de koraalmelodie in de bovenstem, in de beide Evolutio’s verhuist deze naar de baspartij en ruilen ook de 2e en 3e stem hun partij om. Vooral de laatste Evolutio is een sterk staaltje van contrapuntische stielkennis: naast de transformaties die ook in de eerste Evolutio plaatsvinden wordt nu ook elke partij gespiegeld. Dat Dieterich Buxtehude oprecht hield van zijn vader, zoals de titelpagina vermeldt, bewijst het tweede werk uit de Fried-und Freudenreiche Hinfahrt. Het klaaglied Muss der Tod denn auch entbinden BuxWV 76b is een hartverscheurende klacht op een tekst die zo persoonlijk en betrokken is dat hij haast zeker door Buxtehude zelf moet geschreven zijn. In zeven strofen brengt Buxtehude zijn vader in herinnering, de openingsstrofe klaagt het onvermijdelijke van de dood aan die “ontbindt wat niet te ontbinden valt”. In de zesde strofe wordt Johannes Buxtehude als hemelse organist geschilderd die vreugdeliederen speelt terwijl op aarde treurmuziek om zijn afscheid klinkt: “Schwarze Noten Trauer Gemenge, mit viel Kreuzen durchgemischt”. Het is alsof Buxtehude hier zelf zijn lamento analyseert dat met doorgedreven chromatiek, grote, onverwachte sprongen en stijgende crescendo’s een smartelijke sfeer creëert die door de zacht deinende strijkers op de achtergrond verinnerlijkt en versterkt wordt.

Bachs cantate Mit Fried und Freud ich fahr dahin BWV 125 opent met een grootse koraalbewerking in het pastorale 12/8e metrum met een haast speelse traverso- en hobopartij. Meteen wordt duidelijk dat Luthers koraal hier niet als begrafenislied wordt gebruikt maar Bach teruggrijpt naar de oorspronkelijke bestemming van het kerklied. De cantate werd voor het eerst uitgevoerd op het feest van Mariä Reinigung op 2 februari 1725. De tekst van het openingskoor en slotkoraal is deze van de begin- en slotstrofe van Luthers parafrase. In de aria Ich will auch mit gebrochnen Augen wijdt de onbekende tekstdichter uit over Simeons moede, gebroken ogen. Het is een bijzonder expressieve aria, vol versieringen en appogiaturen in de altpartij en in de concerterende instrumentale bovenstemmen van traverso en oboe d’amore. De uitgedunde continuo, senza accompagnamento, d.w.z. zonder toegevoegde akkoorden versterkt nog de breekbare atmosfeer. In O Wunder, das ein Herz combineert Bach een recitativo accompagnato met de tweede strofe van Luthers koraal Das macht Christus, wahr’ Gottes Sohn. Ongewoon voor Bach worden recitatief én koraal gezongen door slechts één stem, alsof de bas zijn bedenkingen zelf toetst aan het gezag van de koraalverzen. Interjecties van de strijkers klinken als korte vreugdemotieven op bij deze opwelling van Todessehnsucht. Het tenor-basduet Ein unbegreiflich Licht richt zich inhoudelijk op de vierde koraalstrofe (Er is das Heil und selig Licht). Formeel is het een snel, beweeglijk kwintet waarbij de beide zangstemmen, de twee vioolpartijen en de basso continuo betrokken zijn in een druk imitatief spel waarin elk motief bijzonder nauw verwant is aan alle andere. Toch vindt Bach nog gelegenheid voor woordschilderingen zoals de lange vocalise op Kreis en echo-effecten op Es schallet. Na een kort recitatief volgt Luthers slotstrofe in een eenvoudige vierstemmige zetting.